Per 2007 is de Pensioenwet van kracht geworden. De inwerkingtreding van deze wet vindt in verschillende fasen plaats. Het overgrote deel van de wettelijke bepalingen van de Pensioenwet is per 2007 in werking getreden. Een aantal bepalingen zijn per 2008 ingegaan of gaan per 2009 in.
De Pensioenwet is een grondige herziening van de Pensioen- en spaarfondsenwet (PSW). Vervanging van de PSW was nodig omdat deze verouderd was. De nieuwe Pensioenwet is een technische herziening en modernisering van de oude PSW. Ook bevat de wet nieuw beleid en worden o.a. de voorlichtingseisen aan (gewezen) deelnemers in een pensioenregeling aangescherpt. Door de inbreng van de NVA is de Pensioenwet op een aantal fundamentele punten gewijzigd.
Leeftijdsgrens 21 jaar
Een werkgever is op grond van de nieuwe Pensioenwet niet verplicht om voor zijn werknemer een pensioenregeling te hebben. Maar als een bedrijf een pensioenregeling heeft, moeten alle werknemers van 21 jaar en ouder daaraan kunnen deelnemen.
Er is nu nog geen wettelijke leeftijdsgrens voor deelname in een pensioenregeling. Met de nieuwe Pensioenwet wordt dit per 2008 geregeld.
Pensioenovereenkomst
In de Pensioenwet is het begrip ‘pensioentoezegging’ uit de oude PSW vervangen door ‘pensioenovereenkomst’. Hiervoor is gekozen omdat dit begrip beter aansluit bij het tweezijdige karakter van de arbeidsvoorwaarde pensioen. Op grond van de Pensioenwet moet een werkgever een werknemer binnen een maand na aanvang van de werkzaamheden schriftelijk informeren of hij deze werknemer al dan niet een aanbod tot het sluiten van een pensioenovereenkomst doet en zo, ja, binnen welke termijn het aanbod wordt gedaan en wie de pensioenuitvoerder is.
De Pensioenwet gaat niet in op de aanvaarding van dit aanbod. Als een werkgever geen aanbod tot pensioen doet, kan de werknemer ervan uitgaan dat hij hetzelfde aanbod heeft ontvangen als de groep van werknemers waartoe hij behoort.
De werkgever moet er vervolgens voor zorgen dat de werknemer waarmee een pensioenovereenkomst is gesloten, vervolgens binnen 3 maanden door de pensioenuitvoerder wordt geïnformeerd over:
de inhoud van de basispensioenregeling
de reglementair te bereiken pensioenaanspraken
- de toeslagverlening
- het recht voor de werknemer om bij de pensioenuitvoerder het voor hem geldende
reglement op te vragen
- keuzemogelijkheden in de pensioenregeling
- informatie over wettelijk recht tot waardeoverdracht
Startbrief
De startbrief is een nieuw document. Deze brief dient een pensioenuitvoerder aan de werknemer af te geven binnen 3 maanden nadat de werknemer is gaan deelnemen in de pensioenregeling. De startbrief moet een goede weergave bieden van de inhoud van de basispensioenregeling.
Uit de startbrief moet melding gemaakt worden van:
- het karakter van de pensioenregeling (een uitkeringsovereenkomst, een kapitaalovereenkomst of een premieovereenkomst)
- ingangsdatum van de pensioenovereenkomst
- de pensioenvormen
- wijze waarop de aanspraken worden vastgesteld
- ingangsdatum van het pensioen en de duur van de uitkering
- de gevolgen van beëindiging van de deelname
- de gevolgen bij arbeidsongeschiktheid en werken in deeltijd
- een eventueel betalingsvoorbehoud voor de werkgever
- keuzemogelijkheid t.a.v. uitruil
- toeslagbeleid
- evt. aanwezigheid vrijwillige pensioenregeling
- de mogelijkheid vrijwillige voortzetting
- de informatieverplichtingen van de werknemer
De werkgever is zelf niet verantwoordelijk voor het verstrekken van deze initiële informatie. Er geldt een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de werkgever en pensioenuitvoerder dat aan de werknemer de vereiste informatie wordt verstrekt. Beide partijen kunnen er door de werknemer op aangesproken worden indien de werknemer de startbrief niet binnen de gestelde termijn ontvangt. Als met de werknemer een pensioenovereenkomst is gesloten, dient de werkgever ervoor te zorgen dat
de werknemer volledig wordt geïnformeerd over de inhoud van de pensioenovereenkomst. Dit moet plaatsvinden in heldere en begrijpelijke bewoordingen. Per 2009 dient de startbrief aan een nieuwe werknemer verstrekt te worden.
Voorlichting
De voorlichtingseisen over opgebouwde pensioenaanspraken zijn in de nieuwe wet aangescherpt. Nieuwe regels zijn per 2008 van kracht geworden. Ook zijn de regels voor toeslagverlening duidelijker geregeld. Doel ervan is dat een werknemer zich eerder dan de pensioendatum kan realiseren dat zijn pensioen mogelijk ontoereikend is. Verzekeraars en pensioenfondsen zijn verantwoordelijk voor de voorlichting aan de deelnemers in een pensioenregeling. Minstens 1 keer per jaar moeten de deelnemers geïnformeerd worden over hun opgebouwde aanspraken en over eventuele aanpassing van hun pensioenen aan de inflatie (indexatie). In deze ‘jaaropgave’ moeten ook de op de pensioendatum te bereiken aanspraken op een uitkering of kapitaal zijn opgenomen, of een indicatieve berekening van de nog te bereiken aangroei in een premieregeling. Ook moet worden aangegeven of een nabestaandenpensioen gefinancierd opbouw- of op risicobasis en wat de gevolgen van deze financieringsvorm zijn.
Voormalige deelnemers in een pensioenregeling (slapers) moeten 1 keer in de vijf jaar geïnformeerd worden over hun aanspraken. De voorlichting over vrijwillige aanvullende producten moet voldoen aan de eisen die ook gelden voor andere financiële producten. Hierdoor wordt het mogelijk dat werknemers aanvullende regelingen kunnen vergelijken.
Ook bij uitdiensttreding geldt er een informatieplicht voor de pensioenuitvoerder. De deelnemer moet op dit moment o.a. geïnformeerd worden over de hoogte van de verworven aanspraken, het toeslagbeleid en het nabestaandenpensioen.
Bij pensionering moet de pensioenuitvoerder informatie verstrekken over de hoogte van de uitkering, inclusief de hoogte van het nabestaandenpensioen en het toeslagbeleid. Na de pensionering moet de pensioengerechtigde jaarlijks worden geïnformeerd over het toeslagbeleid en de verwachtingen.
Uniform Pensioenoverzicht (UPO)
Pensioenuitvoerders zijn met ingang van 2008 verplicht hun actieve deelnemers jaarlijks een uniform pensioenoverzicht (UPO) te sturen. Pensioenfondsen en verzekeraars hebben overeenstemming bereikt over een gestandaardiseerd jaarlijks pensioenoverzicht. Bij het ontwikkelen van het UPO waren ook de AFM en de Consumentenbond betrokken.
Het UPO moet de deelnemer in een pensioenregeling en de (eventuele) partner een duidelijk inzicht geven in de eigen pensioensituatie.
Het UPO kent 5 modellen: nl voor een:
- uitkeringsovereenkomst
- kapitaalsovereenkomst en premieovereenkomst (aanspraak op kapitaal)
- premieovereenkomst (premie wordt belegd)
- alleen arbeidsongeschiktheidspensioen (inkomensverzekeraar)
- beroepspensioenregeling (uitkeringsregeling)
Een voorbeeld van een UPO is te vinden op: www.pensioenkijker.nl
Bij een kapitaalovereenkomst wordt op het UPO een indicatie gegeven van de pensioenuitkering die met het kapitaal zou kunnen worden aangekocht, gebaseerd op de tarieven die de pensioenuitvoerder op het moment van het verstrekken van de opgave hanteert.
Bij een beschikbare premieovereenkomst wordt de waarde van de beleggingen weergegeven en een indicatie van het naar verwachting aan te kopen kapitaal op de pensioendatum, gebaseerd op een vast rendement van 4 %. Ook wordt een indicatie gegeven van de pensioenuitkeringen die hiermee kunnen worden aangekocht. Uitgangspunt daarbij zijn de geldende tarieven van de pensioenuitvoerder op het moment van het verstrekken van het UPO.
Op grond van de Pensioenwet zijn ook schadeverzekeraars vanaf 2008 verplicht een UPO te verstrekken voor arbeidsongeschiktheidspensioen. Er is danook een UPO-model gemaakt voor uitsluitend het arbeidsongeschiktheidspensioen dat onder de werking van de Pensioenwet valt.
Per 2009 wordt de opname van het indexatielabel in het UPO verplicht. Dit zal leiden tot een aanpassing van het UPO-model 2008.
Nationaal pensioenregister
De pensioensector en de Sociale Verzekeringsbank moeten gezamenlijk een pensioenregister opzetten. De consument moet m.b.v. dit register een volledig overzicht (digitaal) kunnen krijgen van zijn pensioenaanspraken en AOW. Uiterlijk 1 januari 2011 moet dit register operationeel zijn.
Kosten voor informatievoorziening
Essentiële informatie moet een deelnemer in een pensioenregeling kosteloos ontvangen. Hiertoe behoort de informatie die de pensioenuitvoerder verplicht dient te verstrekken. Verder moet kosteloos worden verstrekt: het pensioenreglement, informatie over de gevolgen van uituil van ouderdomspensioen in partnerpensioen en omgekeerd, informatie over beleggingsmogelijkheden en de beleggingsportefeuille bij premieovereenkomsten.
Wachttijden en drempelperioden
Bij een wachttijd bouwt een deelnemer gedurende een bepaalde periode bij aanvang van de diensttijd geen pensioen op. Bij een drempelperiode bouwt hij wel pensioen op, maar alleen als hij na die periode nog in dienst is. In de Pensioenwet is bepaald dat voor opname in een regeling voor ouderdomspensioen een maximale wachtperiode mag gelden van twee maanden. Voor opname in een regeling voor nabestaanden en arbeidsongeschiktheidspensioen mag geen drempelperiode worden gehanteerd.
Uitvoeringsovereenkomst
De uitvoeringsovereenkomst is een nieuw begrip in de pensioenwetgeving. Het betreft de verplichte schriftelijke overeenkomst per 2009 tussen de pensioenuitvoerder en de werkgever die met de werknemer een pensioenovereenkomst heeft gesloten. De wet bepaalt dat een werkgever een pensioenovereenkomst bij een uitvoerder onderbrengt door onmiddellijk een schriftelijke uitvoeringsovereenkomst met de uitvoerder te sluiten en in stand te houden. De uitvoeringsovereenkomst moet worden gesloten met een pensioenuitvoerder. De werkgever is in principe vrij in de keuze voor de pensioenuitvoerder. De keuze kan alleen worden beperkt als sociale partners gekozen hebben voor uitvoering van de pensioenregeling door een bedrijfstakpensioenfonds. De verplichting tot het sluiten van een uitvoeringsovereenkomst geldt niet als een werkgever verplicht is tot aansluiting bij een bedrijfstakpensioenfonds én het fonds een uitvoeringsreglement heeft opgesteld. Voor werkgevers die zich vrijwillig aansluiten bij een bedrijfstakpensioenfonds geldt de verplichting wel.
Inhoud uitvoeringsovereenkomst
De wet schrijft voor dat de uitvoeringsovereenkomst tenminste de volgende onderwerpen moet bevatten:
- de wijze waarop de verschuldigde premie wordt vastgesteld
- de wijze waarop en de termijnen waarbinnen de premie moet zijn voldaan
- de informatie die de werkgever aan de pensioenuitvoerder moet verstrekken
- de procedures bij het niet nakomen van premieverplichtingen door de werkgever
- de procedures bij het opstellen en wijzigen van het pensioenreglement in verband met
het sluiten en wijzigen van een pensioenovereenkomst
- de voorwaarden waaronder toeslagverlening plaatsvindt
- de uitgangspunten en procedures ten aanzien van besluitvorming over vermogenstekorten en vermogensoverschotten, danwel winstdeling.
Indien aanvullend afspraken over onderstaande zaken zijn gemaakt, moeten deze ook in de uitvoeringsovereenkomst worden opgenomen;
- een door de werkgever gemaakte betalingsvoorbehoud voor de premie
- premiekortingen of terugstortingen aan de werkgever
- de voorwaarden voor en de hoogte van bijstortingsverplichtingen van de werkgever
- de mogelijkheid tot vrijwillige voortzetting van de pensioenregeling na beëindiging van
het dienstverband
- de aansluitingscriteria bij vrijwillige aansluiting bij een bedrijfstakpensioenfonds
- rechten en verplichtingen met betrekking tot vrijwillige pensioenverzekeringen.
Pensioenreglement
De pensioenuitvoerder krijgt de wettelijke taak om een pensioenreglement op te stellen die in overeenstemming is met de pensioenovereenkomst en de uitvoeringsovereenkomst. In dit reglement moet worden opgenomen hoe de uitvoerder omgaat met inkomende waardeoverdracht van pensioenaanspraken, over de hoogte van de ruilvoet en de opbouwkeuzevoet en over de kortingsregeling waarmee pensioenfondsen in bepaalde situaties pensioenaanspraken en pensioenrechten kunnen verminderen. Het pensioenreglement dient alleen op verzoek van de deelnemer in een pensioenregeling te worden verstrekt.
C-polis
Op grond van de nieuwe Pensioenwet is een C-polis niet meer mogelijk. Dit betekent dat het niet meer mogelijk is een pensioenovereenkomst onder te brengen bij een verzekeraar door middel van een polis waarbij de werknemer zelf de verzekeringnemer is (= C-polis). Op grond van de Pensioenwet moet de werkgever de verzekeringnemer zijn. Deze vorm heet een B-polis. De per 31 december 2006 bestaande C-polissen kunnen blijven bestaan. Deze behoeven niet te worden omgezet in een B-polis. Hierop zijn de bepalingen van de Pensioenwet gewoon van toepassing geworden.
Melding premieachterstand door verzekeraar
De wet bevat een procedure voor het melden van een premieachterstand. Deze wordt per 2008 van kracht. De verzekeraar moet de werkgever en de deelnemers informeren over een premieachterstand alvorens hij een pensioenverzekering premievrij mag maken of een risicoverzekering mag laten vervallen.
Een verzekeraar moet zich voor het informeren aantoonbaar hebben ingespannen om de achterstallige premie te innen, bijvoorbeeld door het verzenden van aanmaningen aan de werkgever. Vervolgens kan hij op zijn vroegst 3 maanden na de mededeling van de premieachterstand overgaan tot premievrijmaking of laten vervallen van de verzekering. Het tijdstip waarop de verzekering premievrij kan worden gemaakt, is vanaf 5 maanden terug vóór het tijdstip van informeren van de deelnemers. De risicoverzekering moet in standgehouden worden tot ten minste 3 maanden na het moment van de mededeling aan de deelnemers. Hierdoor heeft een deelnemer nog de mogelijkheid een alternatieve dekking te regelen.
Belangrijk is het voorschrift dat bij premievrijmaking geen verrekening van de premie, rente en kosten met de opgebouwde pensioenaanspraak toegestaan is.
Bijzonder nabestaandenpensioen
Nieuw in de pensioenwet is het ‘bijzonder’ nabestaandenpensioen voor de ongehuwde niet-geregistreerde partner. Als de pensioenregeling voorziet in een partnerpensioen voor de niet-geregistreerde partner, krijgt de partner nu bij beëindiging van de relatie recht op een bijzonder partnerpensioen (evenredig deel van het opgebouwde partnerpensioen).
Soorten pensioenovereenkomsten
Nieuw is in de Pensioenwet dat in de pensioenovereenkomst het karakter van de pensioenregeling moet worden opgenomen. De wet onderscheidt de volgende 3 varianten:
1 De uitkeringsovereenkomst
Onder de uitkeringsovereenkomst vallen alle pensioenregelingen waarbij een vastgestelde pensioenuitkering is afgesproken. Hiertoe behoren de eindloon- en de middelloonovereenkomsten en de vaste-bedragenregeling. Bij deze wordt het langleven- en het beleggingsrisico gedragen door de pensioenuitvoerder.
2 De kapitaalovereenkomst
Bij de kapitaalovereenkomst is er slechts een kapitaal verzekerd dat op de pensioendatum dient te worden aangewend voor de aankoop van een pensioenuitkering tegen de dan geldende tarieven. Tijdens de opbouwfase ligt het langlevenrisico bij de werknemer en het beleggingsrisico bij de pensioenuitvoerder.
3. De premieovereenkomst
Bij de premieovereenkomst staat slechts de hoogte van de ter beschikking gestelde premie vast.
Dit resulteert in een kapitaal dat uiterlijk op de pensioendatum wordt omgezet in een een pensioenuitkering. Zowel het langlevenrisico als het beleggingsrisico kan tijdens de opbouwfase bij de werknemer liggen.
Er zijn 3 soorten premieovereenkomsten:
a. de zuivere premieovereenkomst, de premie wordt belegd tot de pensioendatum.
Zowel het beleggingrisico als het langlevenrisico ligt tijdens de opbouwfase bij de
werknemer.
b. De premie wordt meteen gebruikt om een kapitaalverzekering te kopen. Tijdens de
opbouwfase ligt het beleggingsrisico bij de pensioenuitvoerder en het langlevenrisico
bij de werknemer.
c. De premie wordt meteen gebruikt om een verzekering voor een periodieke uitkering
aan te kopen. Zowel het beleggingsrisico als het langlevenrisico ligt meteen bij de
pensioenuitvoerder.
In de uitkeringsfase ligt bij geen van de varianten nog een risico bij de werknemer. De deelnemers moeten worden voorgelicht over het karakter van de pensioenovereenkomst, zodat ze weten welke risico’s ze lopen.
Zorgplicht pensioenuitvoerder bij premieovereenkomsten met beleggingsvrijheid
De pensioenuitvoerder krijgt een nieuwe zorgplicht bij premieovereenkomsten waarbij de deelnemer kan beleggen in aandelen. Deze zorgplicht die per 2008 van kracht wordt, houdt in dat er grenzen worden gesteld aan de beleggingsvrijheid van de individuele deelnemer. De pensioenuitvoerder is in beginsel verantwoordelijk voor de beleggingen. Hierbij geldt dat het beleggingsbeleid in overeenstemming moet zijn met de ‘prudent-person’-regel (= beleggen in het belang van de aanspraakgerechtigde). Het beleggingsrisico moet afnemen naarmate de pensioenleeftijd nadert. Naarmate de pensioenleeftijd toeneemt, moet het risicoprofiel lager worden. Minstens 1 keer per jaar dient te worden onderzocht of de beleggingsmix zich nog binnen bepaalde grenzen bevindt van hetgeen de pensioenuitvoerder aanvaardbaar acht. De (gewezen) deelnemer dient hierover te worden geïnformeerd. Kortom: de wet verplicht de pensioenuitvoerders de nodige zorgvuldigheid in acht te nemen en te handelen in het belang van de deelnemer. In dit kader dient de uitvoerder jaarlijks te onderzoeken of nog aan deze voorwaarde wordt voldaan. De deelnemer heeft daarnaast de mogelijkheid om de verantwoordelijkheid voor de beleggingen over te nemen van de pensioenuitvoerder. De pensioenuitvoerder moet de (gewezen) deelnemer in dit geval wel adviseren.
Er geldt een aparte overgangsregeling voor bestaande premieovereenkomsten met beleggingsvrijheid. Hiervoor geldt dat de (gewezen) deelnemer expliciet ervoor moet kiezen dat de verantwoordelijkheid voor de beleggingen berust bij de pensioenuitvoerder. Pas na de expliciete keuze kan de pensioenuitvoerder de beleggingsmix aanpassen.
Bij premieovereenkomsten met een beleggingsvrijheid voor de deelnemer, moet de pensioenuitvoerder op verzoek informatie verstrekken over:
- alle beleggingsmogelijkheden
- de feitelijke beleggingsportefeuille
- de risicopositie
- kosten in verband met beleggingen
De deelnemer kan indicaties van het pensioenkapitaal opvragen. Deze moeten berekend worden op basis van een pessimistisch, een midden- en een optimistisch rendementsscenario.
Over en weer uitruil tussen nabestaanden pensioen en ouderdomspensioen
Naast de huidige verplichte uitruilmogelijkheid van nabestaandenpensioen naar ouderdomspensioen komt er op grond van de Pensioenwet per 2008 de verplichte uitruilmogelijkheid van ouderdomspensioen naar nabestaandenpensioen bij. De uitruilmogelijkheid van ouderdoms- naar nabestaandenpensioen moet verplicht worden geboden op de pensioendatum, maar daarnaast ook bij beëindiging van de dienstbetrekking.
In het laatste jaar voorafgaand aan de pensioendatum biedt de pensioenuitvoerder de uitruilmogelijkheid van ouderdomspensioen naar nabestaandenpensioen standaard aan. Hierbij zal het nabestaandenpensioen niet méér mogen bedragen dan 70 % van het ouderdomspensioen. Wanneer een deelnemer niet binnen de door de uitvoerder gestelde termijn reageert, vindt de uitruil automatisch plaats. De regelgeving m.b.t. automatische uitruil wordt per 2009 van kracht.
Doel van deze uitruilmogelijkheid is de positie van de nabestaande te verbeteren. De uitruil is alleen van toepassing op de pensioenopbouw na de inwerkingtreding van deze bepaling, tenzij anders wordt overeengekomen.
Indexatielabel
Op grond van de Pensioenwet moet er goede informatie worden verstrekt over de waardevastheid van pensioenregelingen. Er komt een indexatielabel op grond waarvan de mate van zekerheid waarmee het pensioen wordt geïndexeerd, zichtbaar is. Uit het label moet de inflatiebestendigheid van de pensioenregeling af te leiden zijn.
Het kwaliteitslabel zou al per 2008 verplicht moeten worden gebruikt, echter dit bleek niet haalbaar te zijn volgens de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
De verplichting zal per 2009 gaan gelden. Het label moet dan geïntegreerd worden in het uniform pensioenoverzicht.
Het indexatielabel moet een belangrijke rol gaan spelen bij de communicatie over de kwaliteit van de toeslagverlening en zal een belangrijke functie vervullen om een oordeel te vellen over de kwaliteit van de pensioenregeling.
Waardeoverdracht
Naast een individueel recht op waardeoverdracht geldt op grond van de Pensioenwet een collectief recht op waardeoverdracht. Dit betekent dat elke verzekeraar moet meewerken aan collectieve waardeoverdracht bij beëindiging van het contract. Dit was onder de oude PSW niet het geval.
Individuele waardeoverdracht
Sinds 8 juli 1994 bestaat er een wettelijk recht op waardeoverdracht van pensioenaanspraken voor werknemers die van baan veranderen. Doel hiervan is pensioenbreuk zoveel mogelijk in te perken. Voor waardeoverdracht gelden uniforme rekenregels en -procedures. De procedureregels hebben vooral betrekking op de termijnen waaraan iedereen zich moet houden. Van belang is dat een werknemer het verzoek tot waardeoverdracht doet binnen 6 maanden na het einde van de dienstbetrekking.
Met ingang van 1 januari 2008 is de vaste rekenrente bij waardeoverdracht vervallen. Vanaf dit moment moet bij waardeoverdracht uitgegaan worden van de marktrente. Deze wordt jaarlijks vastgesteld. Voor 2008 bedraagt de marktrente 4,9 %. Tot 2008 werd uitgegaan van een vaste rente van 4 %. Door deze wijziging kunnen werkgevers geconfronteerd worden met forse bijbetalingen van een nieuwe werknemer. Deze problematiek heeft de aandacht van de politiek.
De politiek heeft een motie aangenomen bij de behandeling van de Veegwet (eind 2007) waarin de regering wordt verzocht om in overleg met de Stichting van de Arbeid en de pensioenkoepels met een voorstel te komen om de negatieve effecten van waardeoverdracht op te lossen. De NVA heeft bij de behandeling van de Veegwet in de Tweede Kamer destijds de aandacht van de politiek gevraagd voor de belangrijke probleem.
Afkoop
De hoofdregel is dat opgebouwde pensioenaanspraken niet mogen worden afgekocht. De Pensioenwet kent een afkoopbepaling voor een klein pensioen; d.w.z. een uitkering van het ouderdomspensioen van minder dan € 400,- op jaarbasis. Een pensioenuitvoerder heeft het recht een klein pensioen af te kopen als een deelnemer met ontslag gaat en een klein pensioen overhoudt. De werknemer heeft echter nog wel 2 jaar het recht dit opgebouwde pensioen naar een volgende pensioenregeling over te dragen. De afkoop moet 2 tot 2,5 jaar na het ontslag worden uitgevoerd. Afkoop is op voorstel van de pensioenuitvoerder mogelijk, tenzij de gewezen deelnemer aangeeft dit niet te willen.
Ook in de situatie dat bij een echtscheiding het (bijzondere) partnerpensioen kleiner is dan € 400,- mag dit worden afgekocht door de pensioenuitvoerder. De afkoop moet worden geregeld binnen 6 maanden na de echtscheiding resp. het overlijden van de deelnemer.
Als een pensioenuitvoerder buiten de wettelijke termijnen gebruik wil maken van het recht op afkoop, dan dient de rechthebbende op het pensioen met de afkoop in te stemmen.
De nieuwe afkoopbepalingen gelden voor de per 31 december 2006 bestaande pensioenregelingen.
Beëindiging deelname
Bij beëindiging van deelname aan een pensioenregeling moet per 2008 informatie worden verstrekt: o.a. een opgave van de opgebouwde pensioenaanspraken en informatie over de (al dan niet toe te kennen) toeslagverlening. Verder moet informatie worden verstrekt over het vervallen van partnerpensioen (in geval van risicoverzekering). Ook moet informatie verstrekt worden over:
- voortzetting partnerpensioen tijdens WW-periode
- mogelijkheid van uitruil ouderdomspensioen naar partnerpensioen
- recht en de mogelijkheid van waarde-overdracht
- gevolgen bij arbeidsongeschiktheid
- eventuele afkoop
Vervolgens ontvangt de gewezen deelnemer eens per 5 jaar een opgave van de verworven pensioenaanspraken en de toeslagverlening.
Scheiding
Bij scheiding dient de gewezen partner per 2008 een opgave te ontvangen van de opgebouwde aanspraken op bijzonder partnerpensioen. Ook moet informatie over het (al dan niet toekennen) van toeslagen verstrekt worden en informatie over een evt. mogelijkheid tot afkoop (bij pensioenbedrag onder de afkoopgrens).
De gewezen partner ontvangt vervolgens eens in de vijf jaar een opgave van verworven pensioenaanspraken en informatie over de toeslagverlening.
Pensionering
Bij pensionering ontvangt de pensioengerechtigde per 2008 een opgave van zijn recht op pensioen en een opgave van de eventueel opgebouwde aanspraken op nabestaandenpensioen. Ook wordt informatie gegeven over de toeslagverlening. Een jaar voor pensionering moet per 2009 informatie worden verstrekt over de de uitruilmogelijkheid van OP/NP op de pensioendatum.
DGA
De Pensioenwet is niet van toepassing op de dga. Dit betekent o.a. dat bij faillissement het pensioen van de DGA niet beschermd wordt o.g.v. de Pensioenwet. DGA’s die per 31 december 2006 een pensioentoezegging hadden, kregen een jaar de tijd om te kiezen om de regeling:
- in eigen beheer te laten uitvoeren
- bij een pensioenuitvoerder te laten onderbrengen en al dan niet onder de beschermende werking van de Pensioenwet te laten vallen.
In het geval de DGA heeft besloten de pensioenregeling onder te brengen bij een pensioenuitvoerder, kan hij later niet meer switchen naar eigen beheer. Een DGA met een pensioentoezegging van vóór 2007 heeft in 2007 moeten kiezen of hij wel of niet onder het regime van de Pensioenwet wil vallen.
Indien de DGA niet onder de Pensioenwet wilde vallen, moest zijn B- of C-polis omgevormd worden tot een nieuwe-stijl polis, waarbij niet meer wordt verwezen naar de Pensioenwet/PSW.
De positie van de (ex)partner van de DGA is niet veranderd door invoering van de Pensioenwet. De Wet Verevening pensioenrechten bij scheiding is aangepast, met als gevolg dat pensioenverevening en het recht op bijzonder nabestaandenpensioen blijven gelden voor het DGA-pensioen.
Toezicht
De Nederlandse Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM) houden toezicht op de naleving van de pensioenwet.
Evaluatie
Binnen vijf jaar wordt de Pensioenwet geëvalueerd.



Zoeken
Meer artikelen
-
Hoe verzeker je besluitvaardigheid? De Bestuurders- en Commissarissenaansprakelijkheidsverzekering van Nassau De BCA-verzekering...
-
(Bestuurders- en commissarissenaansprakelijkheid voor kleinere en middelgrote BV’s) Waarom de Basis BCA-Polis? Speciaal voor kleinere en middelgrote besloten vennootschappen...
-
DGA Pensioen Overzicht Pensioen in eigen beheer wordt vaak gezien als een middel om fiscaal voordeel te...
-
Aegon wil garanties in PPI AEGON vindt dat de nieuwe premiepensioeninstelling (PPI) met voldoende garanties...
-
Nassau komt met 'AVB-vangnet' Nassau Verzekeringen heeft de Werknemersschadeverzekering (WSV) gelanceerd voor...
- 1
- 2
- 3
- 4
- 5
- 6
- 7



